Staatsinrichting
Op deze pagina:
- Buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk der Nederlanden
- Buitenlands beleid
- Bevoegdheden met betrekking tot buitenlands beleid
- Vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland
- Regionale samenwerking Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoge colleges van staat
- Raad van State
- Algemene Rekenkamer
- Nationale ombudsman
- Representatieve democratie
- Parlement
- Politieke partijen
- Totstandkoming van een wet
- De rechtsstaat
- Rechtspraak
- Hoge Raad
- Internationaal recht
- Bestuursrecht
- De gedecentraliseerde eenheidsstaat
- Bestuurslagen
- Provincies
- Gemeenten
- Waterschappen
- De Nederlandse Antillen en Aruba
Op deze pagina wordt in vogelvlucht beschreven hoe de Nederlandse staat is ingericht. Tevens komt in het kort het Statuut aan de orde, de hoogste staatsregeling binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het geeft de verhouding aan tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba, de Caraïbische gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden.
Buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk der Nederlanden
Het Koninkrijk der Nederlanden is een staatkundig verband tussen de drie gelijkwaardige autonome landen: Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. De constitutie wordt gevormd door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
De landen behartigen in beginsel hun eigen belangen. Enkele met name in het Statuut genoemde onderwerpen zijn echter zogenoemde aangelegenheden van het Koninkrijk, met betrekking waartoe de verantwoordelijk ligt bij de Koninkrijksregering. Naast de zorg voor defensie, is de behartiging van de buitenlandse betrekkingen een van de belangrijkste Koninkrijksaangelegenheden (artikel 3). Op de meeste andere terreinen werken de landen samen op basis van vrijwilligheid.
Buitenlands beleid
Door het Koninkrijk als geheel, maar ook door de drie afzonderlijke landen, wordt een veelheid aan buitenlandse betrekkingen onderhouden. In het bestel van het Statuut heeft de Minister van Buitenlandse Zaken echter de eindverantwoordelijkheid voor het buitenlands beleid van het gehele Koninkrijk, dus ook voor de buitenlandse betrekkingen van de landen Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland.
Die verantwoordelijkheid komt tegenover de buitenwereld duidelijk tot uitdrukking wanneer verdragen worden gesloten. Dat kan namelijk alleen geschieden onder de vlag van het Koninkrijk. Alleen het Koninkrijk als geheel is immers "subject van volkenrecht". Dat betekent niet dat ieder verdrag voor het gehele Koninkrijk moet gelden; alle opties zijn namelijk denkbaar: een verdrag kan ten behoeve van drie of twee landen, maar ook voor slechts een land worden gesloten.
Overigens hebben niet uitsluitend de Nederlandse Antillen en Aruba bij hun buitenlandse betrekkingen rekening te houden met Koninkrijksbelangen; evenzeer geldt dat voor Nederland. Zo zal Nederland zich bij het sluiten van verdragen terdege rekenschap moeten geven van mogelijke gevolgen voor de twee andere rijksdelen.
Bevoegdheden met betrekking tot buitenlands beleid
De Nederlandse Antillen en Aruba hebben de bevoegdheid op functionele terreinen veelal zelfstandig naar buiten te treden en dit gebeurt ook in ruime mate. Zulke terreinen zijn bijvoorbeeld handel, toerisme en transport, maar ook andere terreinen die niet direct raken aan het buitenlands beleid van het Koninkrijk als geheel. De landen geven zich daarbij rekenschap van de vraag of belangen van andere rijksdelen worden geraakt, terwijl vanzelfsprekend de eenheid van het buitenlands beleid van het Koninkrijk moet worden gehandhaafd. Zij hebben voorts te maken met de verantwoordelijkheden van de Minister van Buitenlandse Zaken, de rol van de diplomatieke posten en internationale gebruiken en afspraken.
Vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland
Essentieel in de behartiging van de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk als geheel en van de drie rijksdelen afzonderlijk is het netwerk van ambassades, permanente vertegenwoordigingen en consulaten dat het Koninkrijk ten dienste staat. Een zo hecht mogelijke samenwerking tussen de drie delen van het Koninkrijk op het terrein van de buitenlandse betrekkingen met de landen in de Caribische regio, door een optimaal gebruik van de mogelijkheden van het netwerk van posten, is een permanent aandachtspunt. Op een aantal posten zijn met dat doel ook vertegenwoordigers van de Nederlandse Antillen en Aruba als diplomaat werkzaam.
Regionale samenwerking Nederlandse Antillen en Aruba
Niet alleen de omliggende Caribische eilandstaten spelen een rol in de buitenlandse betrekkingen van de Nederlandse Antillen en Aruba. Van een zeker zo groot belang zijn de landen die grenzen aan de Caribische wateren. Te denken valt in de eerste plaats aan het buurland Venezuela, maar ook aan bijvoorbeeld Colombia en Suriname; en in Midden-Amerika: Costa Rica, Mexico en de Verenigde Staten.
De regionale samenwerking in het Caribisch gebied vindt zowel via regionale organisaties, als in bilateraal verband plaats. Binnen de eerder genoemde randvoorwaarden voor autonoom buitenlands optreden, zijn de Nederlandse Antillen en Aruba hier veelal zelf actief.
Hoewel het lidmaatschap van internationale organisaties in veel gevallen nog is voorbehouden aan het Koninkrijk als zodanig, is er in toenemende mate sprake van zelfstandige relaties in multilateraal verband. Het Statuut voor het Koninkrijk biedt daartoe ook expliciet de mogelijkheid (artikel 28). Ook hier geldt, evenals bij het aangaan van verdragen, dat dergelijke relaties slechts onder de vlag van het Koninkrijk kunnen worden aangeknoopt.
Hoge colleges van staat
Raad van State
Het hoogste adviescollege is de Raad van State, in 1531 door Karel V ingesteld en daarmee het oudste staatsorgaan van Nederland. De Raad moet door de regering worden gehoord bij elk voorstel van wet of algemene maatregel van bestuur (AMvB) en elk ontwerp tot goedkeuring van een verdrag door het parlement. De Raad van State kan ook uit zichzelf voorstellen doen die betrekking hebben op wetgeving en bestuur. De regering is overigens niet gebonden aan het advies van de Raad van State.
De Raad is verdeeld in afdelingen die ieder betrekking hebben op een ministerie. De Koningin is uit hoofde van zijn functie voorzitter van de Raad, die verder bestaat uit een vice-president en maximaal 28 leden, de staatsraden. Daarnaast kunnen maximaal vijftig staatsraden 'in buitengewone dienst' worden benoemd. De gewone staatsraden, die zich op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt in de maatschappij, worden voor het leven benoemd door de Koningin, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met instemming van de minister van Justitie. Bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd wordt hun ontslag verleend.
De vice-president heeft de dagelijkse leiding. De kroonprins/kroonprinses heeft vanaf zijn achttiende jaar zitting in de Raad. Wanneer bij overlijden van de Koningin geen troonopvolger of regent aanwezig is, oefent de Raad van State het koninklijke gezag uit zolang hierin niet is voorzien. De Raad fungeert daarnaast als hoogste rechtsprekende instantie in het bestuursrecht.
Algemene Rekenkamer
De Algemene Rekenkamer oefent controle uit op het financiële beheer van de rijksmiddelen. Zo is de Rekenkamer belast met het achteraf controleren van ontvangsten en uitgaven van de regering, ministeries, semi-staatsbedrijven en rechtspersonen waarbij het Rijk financieel is betrokken. (Provincies, gemeenten en waterschappen vallen buiten het controleterrein.) De criteria hierbij zijn de rechtmatigheid en doelmatigheid van het gevoerde financiële beleid. De Rekenkamer bestaat uit drie leden, van wie de regering er één tot president benoemt. Zij worden voor het leven benoemd. Het jaarverslag van de Rekenkamer wordt aangeboden aan de regering en het parlement en vervolgens gepubliceerd.
Nationale ombudsman
Sinds 1982 bestaat de Nationale ombudsman, omdat er naast de bestaande rechtsgangen behoefte bestond aan een onafhankelijke instantie die onderzoek kan verrichten naar de wijze waarop de overheid zich tegenover de burger gedraagt. Iedereen kan zich rechtstreeks tot de ombudsman wenden met het verzoek een onderzoek naar de handelingen van een bepaalde overheidsinstantie in te stellen. Ook kan de ombudsman uit zichzelf tot onderzoek overgaan.
Voordat hij het definitieve verslag van zijn onderzoek uitbrengt, stuurt hij de resultaten naar de betrokken partijen. Deze kunnen daar vervolgens op reageren. Daarna maakt de ombudsman zijn definitieve verslag openbaar, waarin zijn oordeel is opgenomen over de behoorlijkheid van het overheidshandelen. Hij kan hieraan een aanbeveling verbinden. De ombudsman wordt voor een periode van zes jaar benoemd door de Tweede Kamer. Hij opereert geheel onafhankelijk en rapporteert aan de Kamer.
Representatieve democratie
Parlement
Iedere Nederlandse staatsburger van 18 jaar en ouder heeft het recht zijn stem uit te brengen tijdens de rechtstreekse verkiezingen van de Tweede Kamer é n het recht zich verkiesbaar te stellen voor het parlement. Het parlement, de 'Staten-Generaal', bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer telt 75 leden die indirect gekozen worden door de leden van de Provinciale Staten. De Tweede Kamer heeft 150 leden.
Alle wetgeving in Nederland wordt (mede) door de volksvertegenwoordiging tot stand gebracht. Het parlement vormt samen met de regering de wetgevende macht. De Grondwet bepaalt dat iedere vier jaar verkiezingen van de Eerste en Tweede Kamer worden gehouden. Er kan alleen maar beraadslaagd en besloten worden, indien meer dan de helft van het aantal leden bij de vergadering aanwezig is. De meeste besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen.
Het primaat van de volksvertegenwoordiging blijkt uit het feit dat er geen constitutionele rechter is die wetten aan de Grondwet kan toetsen en uit het feit dat de uitvoerende macht het vertrouwen van het parlement nodig heeft. De uitvoerende macht berust bij de regering, maar zij is hierover verantwoording verschuldigd aan het parlement. Om te kunnen regeren, moeten de ministers het vertrouwen van het parlement hebben.
Na een kabinetsformatie legt de minister-president in de Tweede Kamer een regeringsverklaring af. De Kamer brengt deze verklaring in stemming. Krijgt het kabinet daarbij het vertrouwen van de Kamer, dan kan het met zijn werkzaamheden beginnen. Ministers genieten dit vertrouwen, totdat het parlement een motie van wantrouwen aanneemt. De regering kan van haar kant, in geval van een conflict, de volksvertegen woordiging ontbinden en via verkiezingen het vertrouwen van een nieuw parlement trachten te verwerven.
De Eerste en Tweede Kamer hebben vier middelen om de uitvoerende macht te controleren:
- het begrotingsrecht: het recht om de door de regering ingediende begroting van alle inkomsten en uitgaven van het rijk vast te stellen. Jaarlijks legt de regering op Prinsjesdag de rijksbegroting voor het komende jaar aan het parlement voor;
- het recht op interpellatie: een kamerlid dat over een onderwerp buiten de orde van de dag een discussie wenst met de minister, moet daartoe toestemming vragen aan de Kamer. Interpellatieverzoeken worden hoogst zelden geweigerd;
- het recht ministers en staatssecretarissen vragen te stellen: het stellen en beantwoorden van vragen in de Eerste Kamer geschiedt schriftelijk. Het vragenrecht van Tweede Kamerleden kent, naast de schriftelijke, ook de mondelinge variant in de vorm van het zogenoemde 'vragenuurtje', een mogelijkheid tot summier debat. De vragen moeten beantwoord worden. Een minister kan slechts weigeren de gevraagde inlichtingen te geven, indien het staatsbelang in het spel is;
- het recht van onderzoek (enquête): het parlement kan onafhankelijk van de regering een onderzoek naar een bepaalde zaak instellen en een parlementaire enquêtecommissie met dit onderzoek belasten. Deze commissie kan personen voor verhoor oproepen, die verplicht zijn te verschijnen en hun verklaringen onder ede moeten afleggen.
Ook kunnen de Kamers moties aannemen waarin zij hun wensen vastleggen, zonder dat daar rechtstreeks om gevraagd is. Een motie moet door ten minste vijf kamerleden worden gesteund voor ze in stemming kan worden gebracht. De ministers zijn niet verplicht om een aangenomen motie uit te voeren. Een motie van wantrouwen dwingt het kabinet echter wel tot aftreden.
Naast deze middelen kan de Tweede Kamer nog gebruik maken van twee aanvullende rechten:
- het recht van amendement: hierdoor kan de Kamer wijzigingen in wetsvoorstellen aanbrengen. De betrokken minister kan een amendement overnemen of onaanvaardbaar verklaren.
- het recht van initiatief: een kamerlid of een groep kamerleden kan een wetsvoorstel indienen.
De leden van de Staten-Generaal zijn parlementair onschendbaar, dat wil zeggen dat zij niet kunnen worden vervolgd voor uitspraken die zij in de Kamer of in een commissievergadering hebben gedaan of schriftelijk aan de Kamer hebben overgelegd.
Politieke partijen
Nederland kent een groot aantal politieke partijen mede als gevolg van de lage kiesdrempel in het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De actuele zetelverdeling van de Tweede Kamer is te vinden op de website van de Tweede Kamer.
De partijen moeten zelf zorgdragen voor hun financiering. Inkomsten verkrijgen zij met name uit de contributie die door hun leden wordt betaald. Soms ontvangen partijen giften vanuit het bedrijfsleven. Deze giften moeten openbaar worden gemaakt. Politieke partijen ontvangen overheidssubsidie voor drie specifieke activiteiten: de wetenschappelijke bureaus die wetenschappelijke tijdschriften publiceren en congressen organiseren; de scholings- en vormingsinstituten, waaronder instituten voor scholing en vorming bij zusterpartijen in Midden- en Oost-Europa; en de politieke jongerenorganisaties.
Totstandkoming van een wet
- De verantwoordelijke minister overlegt met zijn collega's in de ministerraad over zijn wetsontwerp.
- Als de ministerraad het voorstel goedkeurt wordt het, nadat de Koningin ervan kennis heeft genomen, doorgestuurd naar de Raad van State.
- Daarna gaat het ontwerp voorzien van een Memorie van Toelichting van de betreffende minister naar de Tweede Kamer.
- De betrokken Vaste Kamercommissie maakt een Verslag, waarop de minister reageert met een Nota naar aanleiding van het Verslag.
- De Kamercommissie maakt een eindverslag. De gehele Tweede Kamer behandelt het voorstel vervolgens mondeling, waarbij eventueel gebruik kan worden gemaakt van het recht van amendement.
- Na goedkeuring gaat het ontwerp naar de Eerste Kamer, waar dezelfde procedure wordt doorlopen. De Eerste Kamer kan niet amenderen, alleen goedkeuren of afkeuren.
- Na goedkeuring door beide Kamers wordt het wetsontwerp getekend door de Koningin en de betrokken minister(s). De wet wordt dan afgekondigd in het Staatsblad. De meeste wetten kunnen dan nog aan een referendum worden onderworpen en treden in dat geval in beginsel niet in werking voordat duidelijk is of een referendum zal plaatsvinden. Voor wetten die niet aan een referendum kunnen worden onderworpen, geldt dat - tenzij de wet zelf een andere datum noemt - zij in werking treden op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking.
- Gewoonlijk worden slechts de hoofdzaken in de wet geregeld. De regering werkt over het algemeen een wet nader uit bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).
De rechtsstaat
Uit het Nederlandse constitutionele recht zijn de basiselementen van de rechtsstaatgedachte te destilleren. Een belangrijke voorwaarde voor de rechtsstaat is het legaliteitsbeginsel dat de overheid verhindert om willekeurig te handelen. Op grond hiervan moet elk overheidsoptreden in Nederland berusten op een algemene, wettelijke regel. Het optreden moet tevens qua inhoud en procedure conform die algemene regel zijn. Ook geldt het vereiste dat voorschriften die de burgers belasten in beginsel geen terugwerkende kracht hebben.
Een ander basiselement van de rechtsstaat zijn de grondrechten. Deze spelen een voorname rol in de Nederlandse Grondwet. Artikel 1 luidt: "Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan."
Het hele eerst hoofdstuk van de Grondwet is gewijd aan grondrechten. De klassieke grondrechten verklaren bepaalde privé-sferen vrij van overheidsbemoeienis, de sociale grondrechten scheppen juist overheidsverplichtingen.
Ten slotte wordt de rechtsstaat getypeerd door het principe van de scheiding van machten. In Nederland werd dit beginsel bij de grondwetswijziging van 1848 ingevoerd. De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is hiervan een belangrijk onderdeel.
De Nederlandse Grondwet sluit juryrechtspraak en het opleggen van de doodstraf overigens uit.
Rechtspraak
De rechtspraak in civiele zaken en strafzaken berust bij drie gerechtelijke instanties, te weten 19 rechtbanken, vijf gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden. Nederlands recht wordt gesproken in drie stappen. Een zaak wordt eerst door een rechtbank behandeld. Daarna kunnen beide partijen in principe in hoger beroep gaan bij een gerechtshof. Ten slotte kan men met een zaak in cassatie gaan bij het hoogste rechtscollege, de Hoge Raad. Alle rechtscolleges bestaan uit rechters die omwille van hun onafhankelijkheid voor het leven zijn benoemd. Bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd wordt hen ontslag verleend.
Hoge Raad
De Hoge Raad der Nederlanden is het hoogste rechtscollege van Nederland op civielrechtelijk en strafrechtelijk gebied en is gevestigd in Den Haag. Het bestaat uit een president, zes vice-presidenten en vijfentwintig raadsheren.
De Hoge Raad heeft de bevoegdheid uitspraken van lagere rechters te vernietigen. Daarbij wordt gekeken of het recht juist is toegepast, er wordt geen nieuw onderzoek naar de feiten verricht.
De voornaamste taak van de Hoge Raad is toe te zien op de eenheid van rechtstoepassing. Daarnaast kan de Hoge Raad ook uitspraak doen in zaken die in de Nederlandse Antillen of op Aruba door gerechtelijke instanties zijn behandeld. De jurisprudentie van de Hoge Raad is een belangrijke rechtsbron in Nederland. De Hoge Raad is echter geen constitutionele rechter, want hij heeft niet de macht een wet onverbindend te verklaren, wanneer deze in tegenspraak zou zijn met de Grondwet.
Internationaal recht
Wel kan de Hoge Raad, evenals alle andere rechters, een wet niet toepassen wanneer deze strijdig is met een verdrag. De voorrang van internationaal-rechtelijke bepalingen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, werd in 1953 in de Grondwet verankerd. Bij een grondwetswijziging drie jaar later werd toegevoegd dat verbindende verdragsbepalingen rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de nationale wetgever, doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Nederland huldigt dan ook het zogenoemde 'monisme', de opvatting dat nationaal en internationaal recht één rechtsorde vormen.
Bestuursrecht
Buiten de burgerlijke rechter en de strafrechter bestaan er andere rechterlijke organen, zoals bijvoorbeeld de verschillende administratiefrechtelijke instanties en de militaire rechter.
In het bestuursrecht bestaat het volgende stelsel van rechtsbescherming tegen de overheid. De eerste rechterlijke instantie in bestuursgeschillen is in het algemeen de administratieve kamer van de rechtbank. Voor sociale-verzekeringszaken en ambtenarenzaken is hierna hoger beroep mogelijk op de centrale raad van beroep, en voor geschillen op het gebied van het economisch recht op het college van beroep voor het bedrijfsleven. Voor de overige zaken is de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beroepsinstantie. Alleen voor geschillen over belastingheffing geldt een ander stelsel. Daar zijn de gerechtshoven de eerste rechterlijke instantie, waarna nog cassatie mogelijk is bij de Hoge Raad.
De gedecentraliseerde eenheidsstaat
Bestuurslagen
Het bestuur in Nederland is ingedeeld in drie bestuurslagen: rijk, provincies en gemeenten. Het rijk behartigt de zaken van nationaal belang. Provincies en gemeenten zijn decentrale overheden. Daarnaast zijn er de waterschappen die een functionele taak hebben.
Zowel bij de provincie als bij de gemeente zijn er twee vormen van wetgeving en bestuur: autonomie en medebewind. Provincies of gemeenten kunnen autonoom verordeningen vaststellen over zaken die de provincie respectievelijk de gemeente aangaan, zolang deze verordeningen niet in strijd zijn met bestaande wetgeving van de centrale overheid of - in het geval van de gemeenten - met verordeningen van de provincie waartoe zij behoren. Met medebewind wordt bedoeld dat de provincies en gemeenten verplicht zijn mee te werken aan het uitvoeren van maatregelen van de rijksoverheid. Bij de gemeenten komen daar ook de maatregelen bij die door de provincie waarin zij liggen zijn uitgevaardigd.
De provincies en gemeenten hebben twee inkomstenbronnen: eigen inkomsten en uitkeringen van de centrale overheid. Het overgrote deel van het geld van de centrale overheid ontvangen zij in de vorm van specifieke uitkeringen. Bij deze uitkeringen is voorgeschreven waaraan het geld dient te worden besteed. Daarnaast krijgen zij een algemene uitkering uit het Provinciefonds respectievelijk het Gemeentefonds. Dit geld kan in principe naar eigen inzicht worden gebruikt. Gemeenten verkrijgen hun eigen inkomsten bijvoorbeeld uit de onroerend zaakbelasting, leges en heffingen. Zij mogen daarnaast ook zelf belasting heffen, zoals toeristenbelasting en hondenbelasting.
Provincies
Nederland bestaat uit twaalf provincies. De provincies hebben taken op het gebied van milieubeheer, ruimtelijke ordening, energievoorziening, maatschappelijk werk, sport en cultuur.
Het algemene bestuur in iedere provincie wordt gevormd door de provinciale staten, het college van gedeputeerde staten en de commissaris van de Koningin. De leden van de provinciale staten worden rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigde Nederlanders uit die provincie. De benoeming is voor vier jaar. Het aantal statenleden is afhankelijk van het aantal inwoners van de provincie. De provinciale staten benoemen uit hun leden voor een periode van vier jaar het dagelijks bestuur van de provincie, gedeputeerde staten genaamd. De commissaris van de Koningin, benoemd door de regering voor een periode van zes jaar, is zowel voorzitter van de gedeputeerde staten als van de provinciale staten.
De twaalf provincies van Nederland (met proviciehoofdstad):
- Groningen (Groningen)
- Friesland (Leeuwarden)
- Drenthe (Assen)
- Overijssel (Zwolle)
- Gelderland (Arnhem)
- Utrecht (Utrecht)
- Noord-Holland (Haarlem)
- Zuid-Holland (Den Haag)
- Zeeland (Middelburg)
- Noord-Brabant ('s-Hertogenbosch)
- Limburg (Maastricht)
- Flevoland (Lelystad)
Gemeenten
Nederland telt minder dan 450 gemeenten. Het aantal gemeenten is in de loop der jaren afgenomen. De rijksoverheid streeft namelijk naar grotere efficiëntie door middel van gemeentelijke herindeling, waarbij kleine gemeenten worden samengevoegd of in grotere opgaan. De gemeente draagt zorg voor voorzieningen op het gebied van water en verkeer, huisvesting, het bestuur van het openbare onderwijs, de gemeentelijke welzijns- en gezondheidszorg, cultuur, sport en recreatie.
Het bestuur van elke gemeente bestaat uit de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De gemeentebesturen staan onder toezicht van het provinciale bestuur en de regering. In praktijk wordt dit toezicht zeer terughoudend uitgeoefend. De gemeenteraad wordt rechtstreeks voor vier jaar gekozen door de stemgerechtigde inwoners van de gemeente. Ook vreemdelingen die vijf jaar of langer legaal in Nederland verblijven, kunnen aan deze verkiezingen deelnemen.
Personen met de nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie mogen deelnemen aan deze verkiezingen zodra zij woonachtig zijn in Nederland.
De gemeenteraad wijst enkele leden aan als wethouders. Het aantal gemeenteraadsleden en wethouders is afhankelijk van het inwonertal. De burgemeester wordt op voordracht van de commissaris van de Koningin door de regering benoemd voor een periode van zes jaar. Burgemeester en wethouders vormen het dagelijks bestuur van de gemeente. De burgemeester is voorzitter van zowel het college van burgemeester en wethouders als van de gemeenteraad. Het college voert de besluiten uit die door de regering en het provinciale bestuur voor de gemeente zijn genomen.
Waterschappen
Het waterschap is een van de oudste vormen van democratisch bestuur op het Nederlandse grondgebied. Waterhuishouding is immers belangrijk in een land dat voor ongeveer een kwart onder de zeespiegel ligt. Net als rijk, provincies en gemeenten zijn waterschappen publiekrechtelijke lichamen. In het algemeen kan worden gezegd dat de waterschappen belast zijn met de verdediging van het land tegen het water. Hun belangrijkste taken zijn het aanleggen en onderhouden van dammen, dijken en sluizen, regeling van de waterstand en van de af- en aanvoer van water, alsmede de zorg voor de waterkwaliteit.
Het algemeen bestuur wordt vanouds gekozen door huis- en grondeigenaren binnen het gebied van het waterschap. De regering benoemt de dijkgraaf, de voorzitter van het dagelijks bestuur.
De Nederlandse Antillen en Aruba
De bestuurlijke verhouding tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Aruba wordt bepaald door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dit Statuut stamt uit 1954 en is de hoogste staatsregeling, ook hoger dan de Nederlandse Grondwet. Het bepaalt dat Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba gelijkwaardige partners binnen het Koninkrijksverband zijn. Op een aantal Koninkrijksaangelegenheden na, draagt ieder van de landen zorg voor de eigen, autonome bevoegdheden.
Het Koninkrijk behartigt onder meer de handhaving van de onafhankelijkheid, de defensie en de buitenlandse betrekkingen. De fundamentele rechten en vrijheden van de mens, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur zijn ook aangelegenheden van het Koninkrijk. Het houdt daarnaast toezicht op het Nederlanderschap en op de regels betreffende toelating, uitzetting en uitlevering van personen. Rijkswetgeving is alleen vereist als een regeling op het territoir van Nederland (het Europese deel van het Koninkrijk) én de Antillen én Aruba werkt. Verdragen worden namens het gehele Koninkrijk gesloten, maar kunnen gelden voor slechts een of twee landen ervan. Pas wanneer een verdrag één van de landen 'raakt' wordt het bij de totstandkoming ervan betrokken.
De Koningin is staatshoofd van het Koninkrijk en voert de regering van elk van de landen. De Nederlandse Antillen (Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten) en Aruba hebben beide een Gouverneur die de Koningin vertegenwoordigt. De Nederlandse ministerraad fungeert, aangevuld met gevolmachtigde ministers van de overzeese gebiedsdelen, als ministerraad voor het Koninkrijk. Rijkswetgeving wordt tot stand gebracht door de Koninkrijksregering in samenwerking met de Staten-Generaal. De Raad van State van het Koninkrijk en de Hoge Raad van het Koninkrijk zijn de twee andere rijksorganen.
Volgens het Statuut is de staatsinrichting van Nederland geregeld in de Grondwet, van de Nederlandse Antillen in de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen en van Aruba in de Staatsregeling van Aruba.